Website Dirk Barrez
Boeken / Livres / Books
- Koe 80 heeft een probleem
- de antwoorden van het antiglobalisme
- une autre mondialisation est possible
- the answers of antiglobalisation
- ik wil niet sterven aan de XXste eeuw
- I don’t want to die in the 20th century
Internet
Films
- Een keuze voor een mens
- Argentinië: hoe een rijk land arm wordt
- het gezicht van de honger
- Le visage de la faim
Artikels / Artikels
De geschiedenis van de toekomst
(Brussel, april 2005) -- Waar is het werk van Philips Hasselt naartoe?
(dit artikel verscheen ook in Knack)
Op 3 december 2002 krijgen de 1400 werknemers van Philips Hasselt te horen dat hun vestiging sluit. Tot in Hongarije, tot in China zoekt televisiemaker Dirk Barrez waar hun jobs naartoe zijn gegaan. Bedrijven verdelen door delocalisaties het werk over heel de wereld, en soms is dat een pijnlijk proces. Prangende vragen over onze toekomst dringen zich op. Waar zullen wij werken? Kunnen onze welvaartstaten overleven in een globale economie? En hoe de welvaart in heel de wereld verzekeren?
'Je voelt je machteloos, gewoon machteloos. Ik wil dat eigenlijk niet meer zien, dat is voorbij.' Samen met vier andere voormalige werknemers van Philips Hasselt bekijkt Carine Put televisiebeelden over het einde van hun fabriek. Eerst zagen ze de massaproductie verdwijnen, daarna alles.
Het blijft vreemd dat het zover kon komen. Vijftig jaar geleden is hun fabriek klaargestoomd om te produceren en te exporteren, platenspelers en nog veel meer. 'We werkten ooit met meer dan 5000 mensen', herinnert Johnny Nijs zich, met een Philipscarrière van dertig jaar. 'Cassetterecorders, dat is een uitvinding van Philips Hasselt', vult Xavier Sanz-Dreesen aan, 'later is hier ook de cd ontwikkeld.' Waarna Albert Mouchaers: 'En het allerlaatste apparaat wat we ontwikkeld en gemaakt hebben is de dvd.' Ze hebben hun huiswerk gemaakt, een rijke oogst aan apparaten bedekt de tafel, allemaal 'made in Hasselt'.
Decennialang was Hasselt een wereldkenniscentrum. De vroegere massaproductie ging weg. Maar de ontwikkeling van nieuwe commerciële topproducten zou de toekomst verzekeren, met enkel nog een aanloopproductie, de zogenaamde pilootlijnen.
Bij het begin van deze eeuw raakte die dynamiek echter verstoord. 'Het was een grote verrassing', zegt Albert, 'toen ook delen van de ontwikkeling weggedragen werden naar het buitenland. Dat was de grote doodsteek want we kregen geen kans meer om nieuwe producten te ontwikkelen.'
'Kennis is er over de wereld', merkt Johnny laconiek op.
Marc Deckers is nog altijd kwaad: 'Hasselt is voor een groot stuk dichtgegaan door slecht management dat niet voor de zaak heeft gevochten, enkel voor zichzelf. Als het slecht gaat ligt een werknemer aan de deur. Maar een manager, die wordt overgeplaatst.'
'De machines die je nodig hebt kun je op een week tijd verhuizen'
Frits Schuitema is de voorzitter van Philips België. We treffen hem in zijn bureau nabij het Brusselse Zuidstation: 'De woede van wie zijn werk verliest is begrijpelijk. Als je de cijfers kent over een langere periode, weet je dat er geen keuze was. We leverden aan de PC industrie waar een extreme concurrentie heerst. Wie in dergelijke ratrace ook maar een klein beetje achterloopt, duikt diep in het rood en dan is die achterstand vrijwel niet meer in te halen.
De anciens van Hasselt weten het maar al te goed. 'Vroeger was West-Europa het Mekka van onze industrie', aldus Johnny, 'maar door de toegenomen communicatiemogelijkheden is de ganse wereld zo klein geworden dat je over de hele aardbol dezelfde activiteiten kunt laten doen.' 'Dat is nu globalisering', weet Albert, 'door die kleinere wereld is er een moordende concurrentie ontstaan.'
De Philipstopman spreekt hem niet tegen: 'In een speerpuntindustrie kan je geweldige hits scoren maar elk foutje, elke vertraging wordt genadeloos afgestraft. Daar komt bij dat de industriële tak waarin Hasselt zat - elektronica, cd, dvd - zich concentreerde in Azië.'
Hoe die concurrentie wordt uitgevochten, hoe en waarom het werk de wereld rond verhuist, daarover spreekt Johnny uit ervaring: 'Ongeveer in 1995 zijn we begonnen de massaproductie naar Polen en Hongarije te brengen, puur wegens de loonkost. Een werknemer in Hongarije verdient vijf à zes keer minder en de opleiding is evengoed. Universitairen zijn relatief duurder maar daar heb je er niet zoveel van nodig om een fabriek te doen draaien. Voor de rest heb je machines nodig, en die kun je tegenwoordig op een week tijd verhuizen. Ze zijn ervoor geconstrueerd, je zet ze op een zware truck en je rijdt ermee de wereld rond.'
'Ik weet dat ik mijn werk kwijt ben, en zij nog niet'
Samen met Albert en nog meer collega's bezocht Carine de Hongaarse zusterfabriek in 1998: 'Er werkten toen 3000 mensen, en wat we zagen was een kopie van Hasselt'.
Zoveel jaren later reist Carine opnieuw naar Hongarije, we reizen mee. Ze is nieuwsgierig naar wat er nu nog wordt gemaakt en welke productie er weg is, of welke er nog weg gaat. Van Wenen is het niet ver meer rijden tot de Hongaarse grens. Zowat vijftig kilometer verder richting Boedapest ligt Györ, een stad waar de oude industrie diepe littekens heeft nagelaten. Paul Kravitz kan er van meespreken, hij rijdt met ons mee het mooie centrum uit: 'Zie je, vele fabrieken zijn dicht, vele andere hebben het grootste deel van hun personeel ontslagen. Raba, genoemd naar de rivier die hier stroomt, was de economische trots. Ooit werkten er éénentwintigduizend mensen, nu amper nog tweeduizend vijfhonderd.'
Even verderop toont hij van op een brug de nieuwe uitgestrekte industrieterreinen die de oplossing brengen: 'Tientallen buitenlandse bedrijven komen er op af, voor de lage lonen, de vrij goed opgeleide mensen, de goede infrastructuur, natuurlijk voor de belastingvrijstellingen en ook omdat vakbonden hier niet echt aangemoedigd worden.'
We hebben afgesproken met Julika Kovacs en Judit Jakab, twee vakbondsafgevaardigden. Niet dat de vakbond veel voorstelt bij Philips Hongarije. Hij telt slechts een zeventigtal leden terwijl er toch 2 à 3000 mensen werken, bijna allemaal vrouwen. De productie piekt en daalt en daarmee ook het aantal werkneemsters waarvan velen slechts een tijdelijk contract hebben. Judit steekt van wal: 'Onze werkomstandigheden zijn sinds 1998 merkelijk verbeterd, we kregen airco, een cafetaria, rookruimte, douches, kleedkamers en betere stoelen. In zeven jaar is het basisloon verdubbeld en we krijgen nu ook toeslag voor onregelmatige prestaties.' Julika neemt het minder goede nieuws voor haar rekening: 'Ik verdien 320 euro netto, net genoeg om alle rekeningen te betalen. Mijn dochter studeert aan de hogeschool en als ik ook die kosten heb betaald, is al mijn geld op.' En dan vertelt ze het echt slechte nieuws: 'Eigenlijk is de toekomst van de fabriek maar twee jaar verzekerd. De cd productie is al verhuisd naar Oekraïne. En we hebben gehoord dat Philips ook productie naar China wil verhuizen. Nu werken er in Györ 2800 mensen, eind 2005 zullen dat er nog maar 1500 zijn, amper de helft.'
Carine kan een gevoel van herkenning niet onderdrukken, volgens haar is het duidelijk: 'Men laat de medewerkers de hele tijd in onzekerheid maar het werk gaat hier toch weg, dat hoor je goed genoeg'. Aan het management kunnen we het jammer genoeg niet vragen, we zijn niet welkom ondanks de vraag van Philips België.
's Avonds, als het donker is, rijden we nogmaals langs de fabriek, de werkhallen zijn goed verlicht. Carine telt de productielijnen, is verbaasd dat de werkneemsters dichter bij mekaar zitten dan in Hasselt: 'Het is raar om dat te zien… ik weet dat ik mijn werk kwijt ben, en zij nog niet.' Op de terugweg naar België wordt haar commentaar niet vrolijker: 'Ze weten zelfs niet wat een Europese ondernemingsraad is. Hoe wil je dat we zo aan een sociaal Europa geraken?'
'Op loonkosten kunnen we niet concurreren met Oost-Europa of China'
In België reageert Johnny Nijs niet echt verbaasd: 'West-Hongarije, dat was al een dure streek aan het worden. Dan zijn we richting Roemenië en Oekraïne getrokken, daar zijn de lonen bijna de helft lager. Als ze nog iets verder gaan, zit je in Roemenië, dan zijn ze nog eens de helft. Dus je voelt, we zitten niet op het einde van de rit.'
Terwijl hij een dvd apparaat openlegt en de lees- en schrijfkop aanwijst, vertelt Xavier dat de productie ervan nu in Sjanghai gebeurt.
'Op loonkosten moeten we niet de illusie hebben dat we kunnen concurreren met die landen, beaamt Philips topman Schuitema, 'met een aantal Oost-Europese landen spreek je over een verhouding van 1 op 10, met China spreek je over nog meer.'
En dus wordt het tijd om ook naar China te trekken, eerst naar Sjanghai, Philips achterna. Dat dit in weinige jaren tot een volledig vernieuwde megastad is uitgebouwd, het is een bekend verhaal. We laten de uitdijende zee van torengebouwen van het 'oude' centrum achter ons, doorkruisen het nieuwe centrum Pudong en belanden uiteindelijk in de vrijhandelszone Wai Gao Qiao, aangegeven door enkele grote bogen over de brede wegen en een toegangspoort. Hier is Philips Optical Storage gevestigd, gastheer Heinz Esser stelt ons het bedrijf voor. Deze fabriek werkt sinds de start in 1996 dag en nacht, de week rond. In drukke periodes werken er bijna 4000 mensen, in het laagseizoen 2000 tot 2500. Dat zijn ook hier bijna allemaal vrouwen, bij de ploegenwissels zie je ze massaal met de fiets aankomen en vertrekken, op en neer naar de slaapzalen verderop. De meeste werkneemsters komen uit het binnenland om hier enkele jaren te werken.
Danny Ceunen vergezelt ons naar de productielijnen. We ontdekken wat we zoeken, een machine waarvan de opschriften aangeven dat ze uit Hasselt komt: 'Deze lijn is in Hasselt ontwikkeld in 1989 en heeft er gedraaid tot in 2001, dan is ze naar Sjanghai verhuisd', licht Danny toe, 'dit is nog het enige wat overblijft van Hasselt'.
Intussen werken de Chinese werkneemsters naarstig door. Dat doen ze veertig uur per week, voor zeventig euro netto per maand. Heinz beklemtoont dat niet enkel de loonkost telt: 'Voor de productie zoeken we niet alleen naar de goedkoopste handjes maar kijken we naar de integrale kost. Waar zitten onze leveranciers, waar zit ik dicht bij de markt en waar is er kennis omheen om de productie te ondersteunen?' Tracy Chen en James Zhang behoren tot dat ondersteunend leidinggevend personeel. Ze zijn er gerust in wanneer ik hen de vraag stel of Philips niet opnieuw zal verhuizen naar waar het nog goedkoper produceren is: 'Als we concurrentieel zijn, is daar geen reden voor. We zijn heel dicht bij onze klanten, dus waarom zouden ze elders gaan?'
Misschien kunnen ze toch beter meeluisteren naar Heinz: 'Ik denk dat de volgende trend is dat er niet meer in Shanghai wordt geproduceerd, maar verder landinwaarts in China en in andere lageloonlanden in Azië. Er zijn er nog veel, Vietnam, Cambodja.'
'We moeten onszelf beconcurreren met onze eigen sociale zekerheid, dat is oneerlijk'
Op het thuisfront heeft Marc Deckers er geen goed oog in: 'Er zijn geen sociale voorzieningen. Er is geen sociale zekerheid. Men neemt mensen aan, zijn ze te duur dan worden ze afgedankt. Van Hongarije naar Sjanghai, van Sjanghai naar een ander. Ik herinner mij als jonge vakbondsafgevaardigde, dat we bezoek hadden uit de Filippijnen en Brazilië en als vakbond beweerden wij, we moeten de mensen werk geven zodat ze op hetzelfde welvaartsniveau komen. Ik ben nu dertig jaar verder en de mensen hebben het er nog even slecht. En eigenlijk moeten wij concurreren met onze sociale zekerheid tegen mensen die geen sociale zekerheid hebben. Dat maakt ons duur, maar het is oneerlijke concurrentie.' Albert Mouchaers drijft de redenering verder: 'Er zijn geen vakbonden en dus is er geen enkele druk. Volgens mij willen ze de levensstandaard laag houden, zoveel te rijker wordt het grote kapitaal.'
'Ja', antwoordt Johnny Nijs, 'maar je zal daar toch moeten mee leven. Een multinational bestaat om winst te maken.' En om winst te kunnen maken moet je er voor zorgen niet uit de markt te verdwijnen, merkt Schuitema op: 'Nu al produceert China tweederde van de dvd spelers, dat is werkelijk dominant, en is het de grootste producent van gsm's en kleurentelevisies. Als Philips een globaal bedrijf wil zijn en als wij onze positie ten opzichte van onze grote concurrenten willen handhaven dan moet je in China zitten.' De verschuiving van het economische zwaartepunt op onze aarde richting Azië speelt een belangrijke rol. Meer dan de helft van alle mensen woont er, dat is nu al een immense afzetmarkt die snel veel groter wordt dan de Europese of de Noordamerikaanse.
'Spitstechnologie is de toekomst… maar zeker ben je nooit'
Als China voor bijna de hele wereld produceert, is er dan nog werk voor Europa? Niet altijd verloopt het zoals in Hasselt, ook niet bij Philips. Zo vertelt de lichtfabriek in Turnhout een ander verhaal. Enkele duizenden mensen maken er volop lampen voor voetbalstadions, winkels, serres, projectoren. Met zijn hoogwaardige gasontladingslampen is Turnhout koploper in de wereld. Als we directeur Henk Coppens ontmoeten staan er juist machines klaar om te vertrekken naar Polen: 'Zodra het alleen maar is, het is donker en ik moet een compensatie hebben in een lichtbron, echt waar, die eenvoudige lampen zult u in Turnhout niet meer zien. Machines waar we het verschil niet langer mee maken gaan naar Polen of China. Elke keer vragen we ons af, waarom blijven we het hier doen? Want de goedkoopste worden we hier nooit. Uiteindelijk is het de loonkost die bepaalt waar je produceert, dan is dat niet West-Europa, niet Turnhout, en dan is het interessanter dat mensen zelf hun werk wegbrengen.' Dat is dus het geheim, de nieuwste lampen en de nieuwste lichttechnologie waar goed geld mee te verdienen is worden hier ontwikkeld en geproduceerd. Wat 'gewoontjes' wordt, schuift door naar landen met lagere lonen. Zolang Turnhout aan de spits blijft van de lichtindustrie is de toekomst verzekerd. Maar zoals de directeur opmerkt: 'Meer dan ooit geldt, zeker ben je nooit'. We maken een afspraak om elkaar terug te zien in de zusterfabriek nabij Sjanghai.
Van een multinational in China…
Bij dat weerzien heeft Henk Coppens kleine oogjes, hij is pas vannacht aangekomen vanuit India maar is meteen paraat om ons rond te leiden: 'We zijn hier om te groeien. Weet je, de sterkst groeiende klant van Philips Turnhout is China. En we komen voor de grondstoffen en natuurlijk ook voor de veel lagere lonen. Arbeiders verdienen hier 130 euro bruto per maand, voor wie geschoold is wordt dat 200 en universitairen beginnen aan 3 à 400 euro. Voorheen zaten we in het centrum, en juist om redenen van loonkost zijn we nu zelfs al een stukje buiten Shanghai in Malu beland. Als het ook hier voor bepaalde producten te duur wordt, dan trekken we verder, in China, of Vietnam, we zijn op dit moment ook actief in Rusland, dus die trein stopt nooit.'
We eten 's middags in de bedrijfskantine. Grote bedrijven bieden hun Chinese werknemers bovenop het loon dikwijls een goede keuken. En ze betalen ook voor sociale zekerheid, zo leert een gesprek met de Chinese algemeen directeur Luo Pei Liang: 'Indien de mensen 100 euro bruto verdienen, betalen we bovenop 65 euro voor huisvesting, werkloosheid, medische zorgen en pensioen. Om eerlijk te zijn, niet alle bedrijven respecteren deze wet. Sommige proberen daaraan te ontsnappen.' Het was ons al langer duidelijk, in China is de wet één zaak en de realiteit dikwijls een heel andere. Maar een multinational als Philips trekt voor zichzelf duidelijke krijtlijnen, zegt Coppens: 'Als het over kinderarbeid gaat, faire beloningen of arbeidsomstandigheden hebben wij zeer duidelijke beleidsregels die wij respecteren in elk van onze bedrijven'.
De volgende afspraak is met Sun Shu Li, lid van de partij en vakbondsverantwoordelijke. Jawel, elke onderneming moet één vakbond hebben, slechts één. Althans, zo zegt de Chinese wet. Vooral in grote bedrijven vind je dan ook de officiële eenheidsvakbond. Sun Shu Li begint zelf over het grote verschil tussen vakbondswerk in China en elders in de wereld: 'Ik moet én de werknemersrechten beschermen, én de belangen van het bedrijf beschermen.' Het is geen slechte zaak wanneer vakbonden ook oog hebben voor de onderneming, maar wanneer er bijna identificatie optreedt met het bedrijf is er geen ruimte meer voor een onafhankelijke vakbondswerking. 'Nog verschillend met Europa is dat de wet verbiedt om te staken', vult Luo Pei Liang aan.
… naar Chinese fabrieken
Toch treffen de werknemers van Philips en andere multinationals het niet zo slecht. In Chinese fabrieken zijn de arbeidsomstandigheden meestal veel slechter. Oorzaak is de overrompeling van de Chinese steden door massa's volk op zoek naar werk, mensen die bereid zijn hard en lang te werken voor weinig geld. We rijden een paar honderd kilometer landinwaarts, richting platteland, een onmetelijk arbeidsreservoir. We willen weten hoe het er aan toe gaat in Chinese fabrieken. Nabij de stad Jiang Yin, gelegen aan de Yangtze Rivier bezoeken we een oude textielfabriek. Vroeger werkten er 400 mensen. Het bedrijf is nu geprivatiseerd en de lokale partijleider Huang Hui Zhong is de nieuwe directeur geworden. Hij ging aan het saneren en zo verdween de helft van de banen: 'Vooral nadat China is toegetreden tot de Wereldhandelsorganisatie is de concurrentie van kleine privé ateliertjes steeds meer toegenomen, zeker voor ons, wij maken werkhandschoenen, en dat is vooral handenarbeid. Daarom ben ik het productieproces aan het automatiseren. Als je louter met handenarbeid blijft produceren, gaat je bedrijf kapot.'
De onstuimige ontwikkeling van hun land is geen zegen voor alle Chinezen, zo blijkt wanneer we 's avonds aanlopen bij Chen Lian Fen en Huai Gui Xiang. De hele familie is nog aan het eten, maar al gauw is er tijd voor ons. Vroeger werkten ze allebei in de fabriek. De vrouw Chen controleert nog altijd de handschoenen, al negentien jaar. De man Huai is na de privatisering zijn werk kwijtgeraakt, hij kreeg enkel een ontslagvergoeding van 200 euro en zit nu thuis: 'Ik wil graag werk vinden. Maar ik ben al 45 en heb geen diploma of goede relaties.' De dag erna vergezellen we Chen naar de fabriek: 'Vroeger werkte ik acht uur per dag en verdiende 60 à 70 euro per maand. Nu werk ik vier uur per dag en verdien ik 40 euro per maand. Dat komt omdat er minder werk is. En er is geen werkloosheidsvergoeding. Als ik door ziekte niet kan werken, val ik helemaal zonder inkomen.' Man zonder werk, de vrouw halftijds en geen vervangingsinkomens, rooskleurig is anders. Het gesprek met Chen maakt ons nog iets anders duidelijk: in twintig jaar is haar loon amper gestegen, en haar koopkracht al helemaal niet. In een ander lokaal werkt de 22-jarige naaister Fang Yin Gui. Haar arbeidsdagen duren negen uur, ze heeft één rustdag per week en verdient ongeveer 100 euro per maand. Terug buiten zien we wapperende kleren aan de wasdraad. Ze verraden waar zich de slaapzalen bevinden voor de Chinese migranten uit het binnenland. We ontmoeten er twee meisjes van achttien, Zhang Min voert het woord: 'Wij zijn met een tiental uit hetzelfde dorp gekomen, dat is een busreis van een tiental uur. Na de eerste graad middelbaar vertrekt iedereen, om verder te studeren of om te werken zoals wij, twaalf uur per dag.'
Zo is het leven in de handschoenenfabriek, er is werk maar weinig werkzekerheid. De lonen zijn laag en veel sociale zekerheid is er ook al niet, een weinig voor dokterskosten en dan nog wat voor pensioen. En van een werknemersorganisatie is hier helemaal niets te merken.
Van kwaad naar erger, de economische onderkant van China
We vliegen naar Hong Kong, de thuishaven van mensen en organisaties die opkomen voor de rechten van de Chinese werknemers en die een vrije vakbondswerking in China proberen uit te bouwen. We hebben een afspraak met Han Dongfang, een vroegere spoorwegarbeider die zijn land moest ontvluchten omdat hij een onafhankelijke vakbond had opgericht. Nu verspreidt hij zijn ideeën via radioprogramma's die ook in China te beluisteren zijn. Zijn organisatie China Labour Solidarity brengt wantoestanden aan het licht en geeft juridische bijstand aan werknemers waarvan de rechten geschonden zijn: 'Neem die edelsteenfabriek waar de arbeiders sterven aan longziekte, te wijten aan de slechte werkomstandigheden. Enkele maanden werken is genoeg om eraan dood te gaan. Onze organisaties hier in Hong Kong betalen advocaten om hen te verdedigen. Er zijn al die mijnongelukken met dikwijls tientallen doden. Ik telefoneer met de weduwen, hoor hoe hun mannen verplicht werden om af te dalen terwijl het al een week brandde onder de grond, anders zouden ze hun job en inkomen kwijt spelen. Hun vrouwen mochten de lijken niet eens zien en het overlevingspensioen dat ze aangeboden krijgen is gewoon belachelijk laag. We overtuigen hen om achtduizend euro schadevergoeding te eisen omdat het leven van een mijnwerker even veel waard is als dat van een Chinese leider. Als het veel geld kost, zijn de eigenaars verplicht om echt iets te doen aan de onveiligheid.'
We nemen de trein vanuit Hong Kong naar Shenzhen, een stads- en industriekluwen gegroeid van 10.000 naar 10.000.000 inwoners op vijfentwintig jaar tijd. Ook hier stromen werkzoekenden toe uit heel China, naar duizenden fabrieken die produceren voor de hele wereld, ze werken er dikwijls onder zeer slechte voorwaarden. Wie daar iets wil aan doen is professor Liu Kaming, met zijn vormingscentrum voor werknemers: 'In Shenzhen zijn de grootste problemen de lage lonen, de heel lange werktijden, er is geen sociale zekerheid en geen vrijheid van vakbondsvereniging.' Je moet je rechten kennen om je te kunnen organiseren, benadrukt Kaming. Als meer Chinezen aandacht krijgen voor deze uitbuiting en er een sterke internationale beweging groeit kan deze neerwaartse sociale spiraal stoppen, daarvan is hij overtuigd.
Na de les trekken de studenten van het vormingscentrum naar huis, naar de ons al bekende slaapzalen. Morgen wacht een nieuwe werkdag. Lewei komt thuis... Op de kamer waar hij huist, amper vierkante meter, leven en slapen ze met zes, van sociale rechten hebben de meesten nog nooit gehoord.
Hoe erg vele Chinese werknemers er ook aan toe zijn, toch roept Han Dongfang in geen geval op tot revolutie: 'We willen de mensen doen beseffen dat het verkiezen van een vakbond volledig legitiem is, want door de wet voorzien. Jammer genoeg denken de Chinese arbeiders nu dat de vakbond deel uitmaakt van het bedrijf. Dat vergiftigt de idee van wat een vakbeweging moet zijn. De vakbond is geen vakbond meer in China. Hij is gestolen. Een vakbond is er voor de werkers, moet verkozen zijn en zich verantwoorden.'
Dongfang is optimistisch. Over vijf jaar hoopt hij in China zelf verder te bouwen aan een onafhankelijke vakbond. Hij ziet de Chinese arbeidersbeweging niet los van de rest van de wereld: 'Zolang de Chinese werknemers zich niet mogen organiseren zijn de sociale rechten van alle werknemers overal ter wereld in gevaar.' Veel te langzaam dringt het door in de rest van de wereld. Niet zozeer dat China de fabriek voor de 21ste eeuw wordt is het probleem, maar zolang deze fabriek grotendeels werkt zonder minimumlonen, zonder sociale zekerheid, zonder vakbondsvrijheid, dreigt zij een neerwaartse druk uit te oefenen op de lonen en de welvaartstelsels, op de sociale rechten en bescherming in alle landen.
© 2005 Dirk Barrez
Ontwaken uit de neoliberale winterslaap
13-12-2001 - Dirk Barrez
een keuze voor de mens
Het protest tegen de huidige globalisering is wijd verspreid. Het manifesteert zich niet enkel op straat maar is gedragen door mensen uit de hele wereld, het is een beweging van vakbonden, boerenbewegingen, milieubewegingen, vrouwenorganisaties, inheemse volkeren, jongerenorganisaties, vredesbewegingen, mensenrechtenorganisaties, Derde Wereldbeweging, en nog veel meer…
Wat al deze mensen drijft is scepsis over een wereld waar de economie voorrang krijgt op de mens, de welvaart steeds ongelijker verdeeld raakt, de mensenrechten in de verdrukking komen, de ecologische ravages onvoorstelbaar groot zijn en de besluitvorming over dat alles veelal in het geheim en ondemocratisch verloopt.
Wie goed luistert naar wat zovele bewegingen en organisaties te vertellen hebben, wie oog heeft voor hun voorstellen en alternatieven, die krijgt zicht op wat we moeten doen om onze wereld veel menselijker te maken.
Indien vooral onze politici goed luisteren, weten ze wat de wereld overkomt en weten ze ook wat gedaan. Indien ze uit de neoliberale winterslaap ontwaken, indien ze zich herinneren dat – zelfs na de val van de Berlijnse muur én alle loze beweringen over maar één mogelijk maatschappelijk model - ons Europees model met zijn sociale correcties, aarzelende ecologische correcties en min of meer actieve overheden wel degelijk iets anders is dan het Groot-Brittannië waar je best een veiligheidsgordel draagt in de treinen of de Verenigde Staten waar tientallen miljoenen buiten elke gezondheidszorg vallen én in Californië om de haverklap de elektriciteit uitvalt of Argentinië waar het land is uitverkocht en de mensen in rijen staan uit te schuiven bij de ambassades van Spanje en Italië om te remigreren naar het oude continent, dan kunnen ze dringend werk maken van een meer sociale, duurzame en democratische wereld.
Want dat is wat de zogenaamde antiglobaliseringsbeweging vraagt, dat de mondiale mensensamenleving werk zou maken van volgende maatregelen en alternatieven. Omdat ik al enkele decennia tracht te luisteren naar de stemmen van het verzet, van Indiase boeren, Braziliaanse landlozen, Attac, vakbondsmensen, vredesbetogers, milieuactivisten, vrouwen, gezondheidswerkers – dat verzet is net als globalisering veel ouder dan we ons zelf zijn gaan wijsmaken – waag ik me aan het neerschrijven van een programma voor een andere wereld, niet bedoeld als een manifest of een bijbel maar als een aanzet om verder mee te werken.
radicale, participatieve democratie en integraal federalisme
De verdediging en de verwezenlijking van de mensenrechten en het algemeen belang is het werk van politieke instellingen zo dicht mogelijk bij de bevolking en van een actief participerende samenleving. Die vormen de basis voor de integraal federale inrichting van de wereld : burgers en volkeren delegeren maar bevoegdheden en beslissingsmacht aan verderaf staande regionale, nationale, supranationale of mondiale politieke vertegenwoordigingen en organen wanneer dat nodig is. Daarbij genieten culturele minderheden van bescherming en autonomie.
Steunend op de ideeën en principes van de volkssoevereiniteit en het sociaal contract, van de rechtsstaat en de scheiding der machten wordt de democratie zo verder uitgebouwd op alle bestuursniveaus, van dorpsraad tot het wereldparlement.
mondiale democratie – de wereld van de volkeren
De opkomst van een mondiaal economisch en financieel systeem dwingt de samenleving nu ook tot een verdere snelle, stapsgewijze federale uitbouw van democratische mondiale overheden, van een wereldparlement, een wereldregering, een mondiale justitie en de nodige mondiale besturen en instrumenten. De volkssoevereiniteit gebiedt wel dat alle belangrijke internationale beslissingen, in het bijzonder de overdracht van bevoegdheden, genomen worden door de volkeren zelf.
Een democratische hervorming en versterking van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht van de Verenigde Naties is de beste weg naar mondiale democratie: democratisch in de Algemene Vergadering tot stand gekomen VN-wetten kunnen dan onmiddellijk overal in werking treden; de Veiligheidsraad heeft niet langer permanente leden en kent geen vetorecht meer; de Economische en Sociale Raad krijgt de bevoegdheid over de gespecialiseerde VN-instellingen zoals FAO en WHO en integreert in zijn werking het IMF, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie; mensen en volkeren kunnen al hun rechten opeisen bij bevoegde internationale rechtbanken.
primaat van de politiek – algemeen belang gaat voor privé belang
De democratische instellingen beschermen de mens tegen misbruiken van machten die niet verkozen zijn en waar het gelijkheidsbeginsel niet geldt, in het bijzonder tegen de opdringerige economie en tegen elke vorm van dictatuur. Ze veroveren en organiseren de publieke ruimte waar haar algemene regels gelden voor iedereen. Een volwaardige democratie laat de terreinen van de economie, de ecologie, de samenleving, de kennis en de cultuur niet exclusief over aan de markt en aan privé belangen, en in geen geval aan monopolies en dictaturen. Ze organiseert en waarborgt voor al die terreinen de democratische controle en participatie van haar burgers.
kapitaal voor de mens, duurzaam beheerd
Economisch is het leidende principe niet langer dat het kapitaal arbeid tewerkstelt en de mens hoogstens wordt beschouwd als een productiefactor.
Om de economie terug in dienst van de mens te krijgen moet het – omgekeerde - principe ingang vinden dat de mens gebruik maakt van kapitaal en dus recht op kapitaal heeft.
Onverminderd het recht op werk, rechtvaardig loon, gunstige arbeidsvoorwaarden en alle andere rechten die daarmee samenhangen omvat het recht op kapitaal:
- zeggenschap over de aanwending van de natuurlijke rijkdommen of productiemiddelen – zoals waters, landbouwgronden, weilanden, bossen - voor wie daarvan moet leven; natuurlijke rijkdommen zijn ofwel publieke goederen, drinkbaar water b.v., ofwel gemeenschapsbezit, ofwel privé-eigendom onder strikte voorwaarden;
- de genetische rijkdom van planten, dieren en van het menselijke leven is gemeenschappelijk eigendom van de mensheid.
- verzekerde toegang tot krediet dat mensen kunnen inzetten als productiemiddel, dit is het recht op financieel kapitaal.
- Het recht op kapitaal verplicht de mens op zijn beurt tot een duurzaam beheer van dat kapitaal.
recht om welvaart te creëren
Deze herverdeling van het kapitaal of de productiemiddelen is een bron van economisch dynamisme en van welvaartscreatie want wanneer het kapitaal er is voor de mens, vloeit daar natuurlijk uit voort dat iedereen de kans en het recht heeft om welvaart te creëren. Dit is het recht op ondernemen, door goederen en diensten voort te brengen, voor zichzelf, de familie en de gemeenschap of voor de markt.
Dit recht is niet absoluut. Het wordt beperkt door democratische, sociale en ecologische correcties en in het algemeen doordat mens en samenleving voorrang kunnen verdienen op het meer beperkte economische belang.
een economie van de mens – economische democratie
Het recht op kapitaal en het recht om welvaart te creëren vormen fundamenten van de economische democratie.
Wanneer de mens haar arbeid inbrengt in een breder productieproces krijgt de economische democratie uitwerking door medebeheer, zelfbeheer, coöperatieve samenwerking, gezamenlijke eigendom van productiemiddelen en andere democratische economische organisatievormen.
Democratie krijgt pas haar volle betekenis wanneer het gelijkheidsbeginsel politiek én economisch krachtig doorbreekt en dus zowel de politieke democratie als haar economische tegenhanger sterk ontwikkeld en heel levenskrachtig zijn.
een economie voor de mens
Zoals de mens de economische vrijheid heeft om welvaart te creëren, zo heeft de samenleving het recht en de plicht om op een democratische wijze de beschikbare middelen aan te wenden om haar maatschappelijke doelen best te realiseren.
Tot die middelen behoort ook de economie. En omdat de samenleving het algemene belang bewaakt moet zij de economie en de economisch bedrijvige mens de nodige regels opleggen.
Zeker wanneer de vrije markt in gebreke blijft, kunnen overheden en samenlevingen economisch initiatief ontplooien om hun doelstellingen te realiseren.
voorrang voor thuismarkten en regionale markten
Lokale samenlevingen en staten hebben het recht om hun lokale economieën af te schermen van de wereldmarkt. Zeker wanneer het gaat om het verzekeren van de voedselproductie en het recht op voedsel zijn regionale gemeenschappelijke landbouwmarkten te verkiezen boven de volledig open wereldmarkt. Zonodig zal dit gepaard moeten gaan met ingrijpende landverdelingen en landbouwhervormingen.
Meer algemeen kunnen landen en regio's voorrang geven aan een thuismarkteconomie en aan regionale economische gemeenschappen. Deze produceren in de eerste plaats voor de eigen behoeften, helpen tot volledige werkgelegenheid en inkomensspreiding te komen en dragen bij aan een gezond evenwicht tussen lokale, regionale en internationale economieën, op voorwaarde dat de economische kosten niet te hoog zijn en niet uitlopen op een welvaartsvernietigend protectionisme.
handel ja, uitbuiting neen
Handel kan tot wederzijdse verrijking leiden in zover het gaat om echte handel, d.i. een vrije keuze om goederen of diensten te verhandelen waarbij alle betrokkenen daar reëel voordeel uit halen. Is dat niet het geval, hebben we te maken met uitbuiting en die wordt verboden.
Democratische internationale instellingen waken over de belangen van al wie handel drijft, introduceren mechanismen op de wereldmarkten die een betere spreiding van de opbrengsten uit de wereldhandel verzekeren en steunen de ontwikkeling van thuismarkteconomieën en van regionale economische gemeenschappen. Een daartoe opgerichte internationale rechtbank kan elke vorm van oneerlijke concurrentie en van uitbuiting beoordelen en bestraffen.
mondiale sociale kaderwet
Nationale overheden integreren alle internationaal aanvaarde sociale regels en arbeidsnormen van vooral de Internationale Arbeidsorganisatie in hun wetgeving en maken ze ook afdwingbaar ten aanzien van ondernemingen en personen die economisch bedrijvig zijn in het buitenland zodat ze overal geldig worden. Uiteindelijk moeten die sociale regels en normen het voorwerp uitmaken van een mondiale sociale kaderwet die overal en voor iedereen afdwingbaar is, onder andere ook bij een mondiale sociale rechtbank.
grenzen aan economische machtsconcentratie en financiële speculatie
Economische markten moeten functioneren in het belang van alle mensen. Daartoe worden alle nodige regels en maatregelen uitgevaardigd, van beperkingen op de concentratie en de privatisering van economische activiteiten tot het instellen van de gezamenlijke eigendom van de productiemiddelen.
De politieke overheden herstellen hun greep op het financieel kapitaal en de financiële markten, en nemen de permanente bedreiging weg die de wispelturige speculatie nu vormt voor de economieën overal ter wereld. Dit gebeurt onder andere door de invoering van kapitaalcontroles en van belastingen op kapitaalverrichtingen en door de opheffing van de fiscale paradijzen. De kwijtschelding van de schuldenlast van landen moet de hele bevolking ten goede komen.
welvaartsverdeling en sociale economie
Een gedemocratiseerde economie die de hiervoor opgesomde spelregels moet eerbiedigen zal al veel beter presteren op het vlak van de productie én van de verdeling van welvaart dan de huidige kapitalistische economie.
Toch is niet gegarandeerd dat zij ook de goederen en vooral diensten zal waarderen die buiten de zogenaamde reguliere economie worden voortgebracht, waar het winstprincipe niet vooropstaat. Daar is wel degelijk een grote maatschappelijke vraag naar maar dikwijls is er geen zogenaamd solvabele vraag voor. Overheden hebben er alle belang bij om deze sociale economie ademruimte te geven.
voor iedereen een mondiaal basisinkomen
Zelfs een sterk sociaal gecorrigeerde economie én een behoorlijk uitgebouwde economische democratie kunnen niet garanderen dat de welvaart zo goed verdeeld raakt dat iedereen voldoende inkomen verwerft om in de levensnoodzakelijke behoeften te voorzien.
Onverminderd hun andere rechten op werk, op maatschappelijke zekerheid, op kapitaal en op het creëren van welvaart hebben alle wereldburgers – omdat ze bestaan en dus in alle omstandigheden recht hebben op een menswaardig bestaan - recht op een mondiaal basisinkomen, hoog genoeg om in de basisbehoeften te voorzien.
Dit minimum van mondiale solidariteit is hun onvervreemdbaar aandeel in de aarde en hun waarborg dat ze hun essentiële mensenrechten kunnen uitoefenen, tevens een stimulans van de sociale economie.
Het is het sluitstuk van een herverdeling van de mondiale welvaart die zelf ook weer bron van economisch dynamisme en van de creatie van welvaart is.
En het is ten volle de erkenning dat iedereen schepper is van menselijke en maatschappelijke rijkdom en daartoe het pure overleven moet kunnen overstijgen zodat het basisinkomen ook een investering in de samenleving is.
het milieu heeft zijn rechten
Het lot van de mens is in de voorzienbare tijd onverbrekelijk verbonden aan het ecosysteem aarde, haar ruimteschip. Mens en economie moeten respectvol en duurzaam omgaan met de aarde en al haar ecosystemen.
Nationale overheden integreren alle internationaal aanvaarde milieuregels, normen en verdragen in hun wetgeving en maken ze ook afdwingbaar ten aanzien van ondernemingen en personen die economisch bedrijvig zijn in het buitenland zodat ze overal geldig worden.
Uiteindelijk moeten die milieuregels en normen het voorwerp uitmaken van een mondiale ecologische kaderwet die overal afdwingbaar is, onder andere ook voor een internationale milieurechtbank. Die wet verplicht mens en economie ecologisch duurzaam te handelen en begeleidt ons ondermeer naar het tijdperk van de zonne-energie en al haar afgeleide vormen van hernieuwbare energie.
dienstbare technologie – gebruik wetenschap en technologie voor wat ze waard zijn
Een duurzame economie moet de gerechtvaardigde materiële behoeften van alle wereldburgers kunnen invullen zonder het vermogen van de komende genera-ties aan te tasten om aan hun behoeften te voldoen. Om die goederen en diensten voort te brengen op een ecologisch, sociaal en economisch verantwoorde wijze maakt een duurzame economie volop gebruik van wat technologie en wetenschap te bieden hebben. Daarom sturen de overheden waar nodig de technologische ontwikkelingen ten dienste van die duurzame economie en stemmen ze zo af op de behoeften van de samenleving.
Het wetenschappelijk onderzoek blijft onverminderd vrij. De wetenschappelijke kennis is een publiek goed.
veiligheid
Zoals in nationale staten het geweldmonopolie toebehoort aan de overheid – die er heel terughoudend, streng gereglementeerd en democratisch gecontroleerd moet mee omspringen – zo komt het internationale geweldmonopolie toe aan de mondiale overheid. Een permanente en democratisch gecontroleerde supranationale VN-politiemacht verzekert de veiligheid in de wereld, ook in landen die ten prooi vallen aan burgeroorlog of zwaar oncontroleerbaar geweld. Massavernietigingswapens hebben daarin geen plaats en worden opgeruimd. De productie van wapens is een overheidsmonopolie en alle handel in oorlogswapens is verboden.
Een permanente internationale strafrechtbank beoordeelt oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.
Het structurele geweld van honger, armoede, vermijdbare ziekten en analfabetisme dat vaak voorafgaat aan fysiek geweld moet gekeerd door een herverdeling van de mondiale welvaart.
nood aan publieke goederen
Op elk bestuursniveau moeten goed functionerende overheden zorgen voor de publieke goederen die elke samenleving en elke economie nodig heeft, van waterbedeling, verkeerswegen en andere infrastructuur tot onderwijs en gezondheidszorg, van eigendomsregisters tot rechtbanken en politie.
Zeker heeft de wereld nu steeds meer nood aan internationale publieke goederen, van een internationaal rechtsapparaat en permanente VN-politiemacht, over autoriteiten die daadkrachtig het broeikaseffect stoppen, multinationale ondernemingen controleren, de biodiversiteit bewaken en meer algemeen zorgen voor het naleven van de mondiale economische, sociale en ecologische wetgeving tot onderzoek naar geneesmiddelen voor ziekten die vooral woeden in weinig koopkrachtige gebieden. Het is dringend nodig dat de nationale overheden dergelijke mondiale opdrachten en bevoegdheden overdragen aan het mondiale bestuursniveau en toevertrouwen aan democratische mondiale instellingen.
actieve overheden, participerende burgers
De overheden zijn de jongste decennia veel te ver en vooral verkeerd teruggetreden. Een wereld die alternatieven voor het kapitalistische systeem wil realiseren heeft nood aan actieve overheden, zij het niet zozeer om alles zelf te doen, noch minder om iedereen te betuttelen. De overheden zijn de coach van de samenleving die zorgt voor goede spelregels en ze ook doet naleven.
Die overheden moeten bovenstaand programma voor een andere wereld realiseren, essentieel een programma voor een sociaal en ecologisch verantwoorde productie van welvaart en van een eerlijke verdeling van die welvaart.
Zij moeten de publieke goederen en diensten aanbieden die de wereld nodig heeft. Overheden, in het bijzonder lokale overheden, organiseren zoveel mogelijk de participatie en inspraak van hun burgers in de besteding van publieke middelen en verfijnen zo zowel de politieke als de economische democratie.
belastingplicht en maximuminkomen
Zulk programma en zulke politiek vereist dat overheden over voldoende middelen kunnen beschikken. Als overheden de rechten van hun burgers bewaken en realiseren, dan hebben die burgers de plicht om de overheden van de nodige middelen te voorzien om hun opdracht uit te voeren.
Overheden zoeken die middelen vooreerst bij wie meer draagkrachtig is en door belastingen te heffen op de sociaal, ecologisch en economisch meer belastende activiteiten. In die logica heft een democratische mondiale overheid prioritair belastingen op internationale financiële verrichtingen en – zolang die er zijn – op de uitstoot van broeikasgassen en op monopolistische winsten.
Sociale rechtvaardigheid, ecologische redenen en de belangen van toekomstige generaties rechtvaardigen de invoering van een maximum inkomen waarover elke wereldburger jaarlijks kan beschikken. Dit maximum inkomen is gekoppeld aan het basisinkomen en kan dus maar stijgen indien ook het basisinkomen stijgt.
bloeiende civiele samenleving
Een bloeiende civiele samenleving of maatschappelijk middenveld is van levensbelang voor een democratische samenleving die actief de verwezenlijking van de mensenrechten voor iedereen nastreeft. De overheden moeten dat middenveld alle vrijheden verzekeren en volop ontplooiingskansen verschaffen in de mate dat het om bewegingskrachten gaat die het democratiseringsproces van de wereld verder stuwen. Zij zijn de medespeelsters en bondgenoten van de politieke vertegenwoordigsters in de verdediging en de uitbouw van een democratische samenleving.
de zin van cultuur
De vaak eeuwenoude bestaansbasis van hele gemeenschappen en volkeren is geworteld in hun levenswijze en cultuur. Veel mensen ervaren hun cultuur als sterke wegwijzer en zingever in hun leven. In deze zin hebben de culturen van onze wereld alle recht op bescherming tegen de blinde markt en tegen nietsontziend winstbejag die de bestaansbasis van gemeenschappen en volkeren onderuit haalt en er geen enkele zekerheid tegenover plaatst.
Culturen verdienen geen respect voor allerlei ongelijkheden en aantastingen van de mensenrechten die zij meesleuren, wanneer zij dus tot wraak van de geschiedenis zijn geworden. Vrije mensen en vrije samenlevingen zijn altijd gerechtigd en verplicht hun cultuur te democratiseren en te humaniseren.
De overheden moeten de verscheidenheid en de eigenheid van de vele culturen beschermen voor zover ze niet in tegenspraak zijn met de mensenrechten.
het belang van informatie en van onafhankelijke media - mediademocratie
De democratisering van informatie is cruciaal om elke burger in staat te stellen actief en bewust deel te nemen aan samenleving en democratie.
Overheden moeten erover waken dat de samenleving beschikt over onafhankelijke en betrouwbare media. Zij stimuleren tevens degelijke in de samenleving verankerde media en dragen zo bij tot meer mediademocratie.
Zo kunnen media ook de functie vervullen van een controlerende vierde macht, van een tegenmacht die onrecht in democratische samenlevingen op het spoor komt en aanklaagt.
één leefbare wereld
Werken aan die éne leefbare wereld, democratisch, duurzaam, solidair, dat is de opdracht voor de hele mensensamenleving, dat is de maatstaf voor onze collectieve intelligentie.
De geschiedenis leert ons dat de mens tot het beste en het slechtste in staat is. We moeten vrezen voor het slechtste. En we kunnen hopen en ijveren voor het beste, onze politici de ogen openen en hen – democratisch en geweldloos - dwingen tot verandering.
Dirk Barrez
De auteur schreef over globalisering de boeken 'De antwoorden van het antiglobalisme. Van Seattle tot Porto Alegre' en 'Ik wil niet sterven aan de XXste eeuw. Over leven in de 21ste eeuw'. Dat laatste boek is ook een onderwijs- en internetproject geworden, surf eens naar www.ikwilniet.org
Global basic income. A quarter of a euro a day for everyone
A global basis income of 'a quarter of a euro a day for everyone' is an ambition that can be as attractive and convincing as were former demands like the eight-hour working day, universal suffrage for men and women or the abolition of slavery.
The income gap between the rich and the poor is astonishing. Twenty percent of the world's population living in the richest countries have 74 times the income of the poorest. This gap is huge, it is relatively new and, what's even more amazing, it is still widening.
Yet the average world income per capita and per year is roughly five thousand euro. If that income were spread a little bit more evenly, everyone would have enough to live on. But we all know that this is not the case. How can we do better?
Well paid labour in decent working conditions is still the best way to earn a living. In many countries it would be possible to procure labour and income to numerous people if landownership were more evenly spread in combination with a sustainable use of fields, grasslands, forests and waters. As far as employment and income growth are concerned intelligent industrialisation using ecologically sound technology can work miracles. Genuine free trade, benefiting every trading party, also adds to the distribution of wealth.
But even so, lots of people will not earn enough to meet their basic needs. Which brings us to the notion of 'basic income', an income for every person from birth till death, no strings attached.
Every now and then proposals for a basic income pop up in some affluent societies with people arguing that it is affordable. Does that mean that a basic income is only for rich societies? At first sight that may seem so. But if we look at the world globally and use our imagination and our brains, we end up with a proposal that is provocatively realistic : a global basic income of a quarter of a euro a day for every human being.
What would it cost? We are six billion people on earth, so we would need 547.5 billion euro a year. Is that much? Not really, because world income is more than fifty times higher. A two percent taxation of the world product is more than enough to give every world citizen that basic income.
For rich people, mainly living in Europe, North America and East Asia, a quarter of a euro a day is of course peanuts. Yet they have to get it as well. It will remind them of the fact that many others have to live on almost nothing.
And for a few billion people it will mean a world of difference. In the poorest countries a quarter of a euro a day would at least double the income of most people. Even where the per capita income is higher, in countries like India, China and others, many hundreds of millions of ordinary citizens would significantly increase their resources. For them too such a basic income would not be a trifle.
One could argue that a quarter of a euro is not enough to escape poverty. This needs clarification.
Firstly, the basic income has to be added to the (often meagre) earnings people already have. It's not a substitute for well remunerated work.
Secondly, increased purchasing power will bring an enormous boost to local economies, creating more employment and thus extra income. What is more, the introduction of a basic income will make it possible to fight poverty efficiently: more evenly divided purchasing power will satisfy the immense needs of fresh water, food, housing and education. The basic income is a driving force for a powerful social economy.
Thirdly, nothing stops us from redistributing not only two but four or more percent of the world income.
Fourthly, local authorities will of course still be responsible for health care, education, land redistribution, water supply, roads, public transport, and so on.
Fifthly, international co-operation is needed if we want to make headway in matters like tackling the greenhouse effect, building sustainable economies in a short period of time, suppressing child labour and enforcing social rules, stopping war and violence to make the world a safer place, controlling speculative and disruptive flows of capital and guaranteeing a basic income for everyone.
This is the broader framework the basic income has to be seen against and in which it can trigger off a development model that is both sustainable and a means to wipe out poverty. What's more, 'a quarter of a euro a day' is an ambition that can be as attractive and convincing as were former demands like the eight-hour working day, universal franchise for men and women or the abolition of slavery.
There is, however, one condition: this basic income has to be guaranteed. This really seems a task for the United Nations, not an easy one, for sure, but certainly easier than the many futile attempts to develop the world through ever failing development programs.
The United Nations could thus become a real instrument of income redistribution in our world. At the same time the United Nations guard the first human right of everyone, the right to exist.
I realise that the idea of a global basic income may seem 'too simple' a solution. But I am convinced that it can work and, more importantly, I do not see any and I don't hear of fundamental obstacles. It's simply a matter of putting it into practice.
Even if we are not able to introduce it on a global scale right away – which is to be expected because humankind is always slow at picking the best solutions - there is no reason why we could not start implementing a global basic income on a more limited scale. We could for example consider bilateral agreements between development ministries and poor rural regions to guarantee a basic income for all inhabitants of that region. What are they waiting for, the people who are responsible for international co-operation in rich and poor countries, in the European Union, UNDP, the World Bank and other organisations? What are they waiting for, all those who bear political responsibility, on whatever level be it, local, regional, national or international? Who's in?
Dirk Barrez
L'idée d'un revenu de base. Un quart d'euro pour tous (pour commencer)
L'écart des revenus entre riches et pauvres est stupéfiant. Les 20% qui figurent parmi les plus riches « gagnent » près de soixante-quinze fois ce que gagnent les 20% de pauvres parmi les pauvres. Cet écart est immense, il est assez récent et, plus étonnant, il ne cesse de s'agrandir. Pourtant, le revenu mondial s'élève à environ 5000 ¤ par an et par personne. Si ce revenu mondial était réparti de manière raisonnablement équilibrée, chacun aurait de quoi vivre. Mais nous savons tous qu'il n'en est pas ainsi. Comment agir pour qu'il en soit autrement ?
Le travail qui, dans des conditions normales, est correctement rémunéré, demeure le moyen par excellence pour gagner sa vie. Une bonne répartition de la propriété des terres, avec une gestion durable des champs, des pâturages, des forêts et des eaux, peut procurer à de très nombreuses personnes les moyens de production nécessaires, du travail et des revenus, dans de la plupart des pays. Une industrialisation intelligente qui utilise une technologie respectueuse de l'environnement peut faire des miracles dans le domaine de l'emploi et de la croissance des revenus. Un véritable libre échange, dont profitent toutes les parties, contribue en outre à la répartition de la richesse.
Mais il ne faut pas se faire beaucoup d'illusions pour l'avenir proche.
Même dans le meilleur des cas, tous ceux qui doivent en vivre n'ont pas assez de moyens de production pour pourvoir à leurs propres besoins. Au contraire, la qualité des eaux de pêche, des forêts et des terres agricoles est de plus en plus altérée. Elles sont volées, voire détruites.
Même dans le meilleur des cas, il n'y a pas assez de travail pour tout le monde et sûrement pas assez de travail bien payé.
Même dans le meilleur des cas, de nombreuses prestations humaines qui contribuent à la prospérité et au bien-être ne sont pas rémunérées.
Même dans le meilleur des cas, des gens seront exclus, la répartition des revenus se fera de manière très inégale et surtout, de très nombreux êtres humains n'auront pas assez de pouvoir d'achat pour vivre décemment.
C'est alors qu'on pense au revenu de base, un revenu que tout homme reçoit, de la naissance à la mort, sans conditions.
De temps à autre, dans certains pays prospères, on avance des propositions en faveur d'un revenu de base et on développe des arguments qui prouvent que c'est jouable. Cela veut-il dire que le revenu de base n'est réservé qu'aux sociétés riches ? A première vue, on pourrait le penser, mais si nous considérons le monde globalement et que nous utilisons notre imagination et notre intelligence, nous pouvons avancer une proposition réaliste : instaurer d'ores et déjà pour tous un revenu mondial d'un quart d'euro par jour.
Que coûtera cette mesure ? Nous sommes six milliards d'êtres humains, on parle donc d'une somme de 547,5 milliards d'euros par an. Est-ce trop ? Pas vraiment, le revenu annuel mondial est environ cinquante fois plus important. Une taxe d'à peine 2% sur le produit mondial peut garantir ce revenu de base à tous les citoyens du monde.
Pour les riches qui vivent essentiellement en Europe, en Amérique du Nord et au Japon, un quart d'euro par jour est évidemment insignifiant. Ils devraient malgré tout le recevoir. Cela leur rappellera qu'un grand nombre d'hommes doivent s'en tirer avec cette somme.
Pour quelques milliards d'hommes, ce quart d'euro par jour représente un monde de différences. Dans les pays les plus pauvres, nombreux sont ceux qui verront ainsi leurs revenus doubler. Même dans des pays à revenus moyens comme l'Inde et la Chine, des centaines de millions de personnes verront leur pouvoir d'achat augmenter considérablement. Pour eux aussi, ce quart d'euro n'est pas à dédaigner.
On fera peut-être remarquer qu'un quart d'euro ne suffira pas à éradiquer la misère. Je m'explique.
Tout d'abord, ce revenu de base mondial doit être ajouté au revenu (souvent bien maigre) que les gens ont déjà. Il ne s'agit pas d'un substitut au travail correctement payé, mais d'un revenu supplémentaire. Et bien entendu, les pays, et sûrement les pays riches, peuvent augmenter ce revenu de base pour leurs citoyens.
Deuxièmement, la hausse du pouvoir d'achat constituera un formidable stimulant pour les économies locales, ce qui procurera davantage de travail et donc des revenus supplémentaires. Mieux, ce revenu de base mondial crée le pouvoir de lutter durablement contre la misère : un pouvoir d'achat réparti de façon plus équilibrée permettra de satisfaire enfin les immenses besoins en eau potable, nourriture, habitations et écoles. Le revenu de base est un levier pour accéder à une économie locale puissante.
Troisièmement, rien ne s'oppose à ce qu'on redistribue non pas deux, mais quatre ou même davantage de pour cents du revenu mondial.
Quatrièmement, les pouvoirs publics locaux doivent évidemment continuer à s'occuper des soins de santé, de l'enseignement, du partage des terres, de l'approvisionnement en eau, des routes, des transports publics, etc.
Cinquièmement, il faut une collaboration internationale pour combattre, par exemple, l'effet de serre, développer rapidement une économie durable, interdire le travail des enfants et faire respecter des règles sociales, endiguer la guerre et la violence et rendre le monde plus sûr, pour contrôler les flux financiers spéculatifs et déstabilisants et garantir à chacun le revenu de base.
C'est dans ce cadre plus vaste qu'il faut voir le revenu de base mondial et qu'il peut être le germe d'un modèle de développement durable qui contribue à éradiquer la misère de la planète. Mieux, ce quart d'euro par jour est une ambition qui peut s'avérer aussi mobilisatrice et stimulante que des revendications antérieures comme la journée de huit heures, le suffrage universel pour l'homme et la femme ou l'abolition de l'esclavage.
Seule condition : ce revenu de base doit être réellement garanti. Cela me paraît une mission formidable pour les Nations Unies. Ce n'est pas une mission facile, mais elle est sûrement plus simple que de vouloir développer le monde avec divers programmes qui demeurent inefficaces. Les Nations Unies deviendraient ainsi un véritable instrument de redistribution des revenus au niveau mondial. Elles veilleraient au respect du premier des droits de l'homme : le droit à la subsistance. Ils pourraient en obtenir le financement par le biais d'une taxe mondiale sur les opérations financières internationales, sur la consommation des combustibles fossiles et d'autres activités qui affectent à maintes reprises la viabilité de notre monde et ne concernent quasiment que les gens riches. Cette compétence fiscale contribuerait directement à la crédibilité d'une véritable administration onusienne du monde. Bien entendu, cela ne se produira que si les Nations Unies sont une organisation totalement démocratique.
Le revenu de base mondial peut paraître une solution trop « simple », mais je suis convaincu qu'elle peut fonctionner et, ce qui importe davantage, je n'y vois pas d'obstacle fondamental. Nous devons tout simplement la réaliser.
Même si nous ne pouvons pas l'introduire tout de suite au niveau mondial – ce qui est probable, car c'est toujours avec retard que nous choisissons les bonnes solutions -, nous pouvons déjà commencer par un revenu de base mondial à plus petite échelle. Nous pouvons ainsi envisager des accords bilatéraux entre ministères du développement et des régions rurales pauvres qui garantissent le revenu de base pour tous les habitants de cette région. Il n'y a pas d'obstacle à cette initiative. Aucun inconvénient pour les responsables de la collaboration internationale dans les pays riches et pauvres, dans l'Union européenne, le PNUD, la Banque Mondiale ou ailleurs. D'une façon plus générale, il n'y a pas plus d'inconvénients pour tous ceux qui ont une responsabilité politique aux niveaux local, régional, national ou international.
Dirk Barrez
mondiaal basisinkomen – een kwart euro
Projectomschrijving
Eind september 2001 verscheen het eerste Nederlandstalige boek over antiglobalisme. Journalist Dirk Barrez poogt een invulling te geven aan deze nieuwe mondiale basisbeweging. Hij baseert zich daarvoor op het eerste Wereld Sociaal Forum dat plaats vond in het Braziliaanse Porto Alegro en confronteert die inzichten met de protesten die zich van Seattle tot Genua hebben gemanifesteerd.
Sinds eind 1999 komt van Seatlle tot Genua het mediagenieke protest tegen de huidige globalisering volop in beeld. Van Brazilië tot India groeit het verzet, bij landlozen die massaal grond bezetten, bij miljoenen boeren die genoeg hebben van de almacht van zaad-en pesticidenmultinationals.
Wat al deze mensen drijft is scepsis over de huidige globale economie, scepsis over een wereld waar de economie voorrang krijgt op de mens, waar de welvaart steeds ongelijker verdeeld raakt, waar mensenrechten in de verdrukking komen, waar de ecologische ravages onvoorstelbaar groot zijn en waar de besluitvorming over dat alles door multinationale ondernemingen, door de rijkste landen en door enkele internationale organisaties veelal in het geheim en ondemocratisch verloopt.
Antiglobaliseringsbeweging is haar naam geworden, eigenlijk volkomen onterecht. Want deze beweging is naarstig op zoek naar alternatieven voor deze globalisering en het allesoverheersende vrije marktdenken. Dat is zeker zo eind januari 2001 wanneer duizenden mensen uit alle hoeken van de wereld zich verzamelen in het Braziliaanse Porto Alegre voor het eerste Wereld Sociaal Forum onder het motto 'Een andere wereld is mogelijk'.
Dit nieuwe Forum profileert zich heel bewust als de tegenhanger van het jaarlijkse Wereld Economisch Forum in het Zwitserse Davos en wil een economie in dienst van de mens en niet andersom. Porto Alegre wil een ontmoetingsplaats zijn voor alternatieven die ook mensenrechten, sociale rechtvaardigheid en duurzame ontwikkeling kunnen realiseren. Het wil er de aandacht van de internationale publieke opinie op vestigen en kans bieden om allianties te smeden tussen sociale bewegingen, vakbonden en NGO's. 
Dirk Barrez was aanwezig in Porto Alegro. Hij had er tientallen gesprekken met zo verscheiden mensen als Naomi Klein, Walden Bello, Ignacio Ramonet, Aminata Traore, Joao Stedile, Riccardo Petrella, Shalmali Guttal, Bernard Cassen, Muchtar Pakpahan, Harlem Desir, Sylvia Borren en vele anderen. Met als leidraad, wat loopt er fout met de huidige globalisering? En waar moet het met onze wereld naartoe? Hoe best welvaart voortbrengen en hoe die verdelen? Wat is de rol van de politiek? En wat moet de samenleving doen? En misschien wel de meest cruciale vraag van allemaal: is Porto Alegro de geboorte van een mondiale sociale beweging die zo sterk kan worden dat de maatschappelijke krachtsverhoudingen in haar voordeel kantelen en zij die veelzijdige utopie van een nieuwe wereld kan realiseren?
Werkbeurs
Werkbeurs Fonds Pascal Decroos: 4.090,24 euro (150.OOO BEF), toegekend op 28 februari 2001.
Publicatie
Titel: De antwoorden van het antiglobalisme.
Van Seattle tot Porto Alegre
Auteur: Dirk Barrez
Uitgeverij: Globe (is een gezamenlijk initiatief van Roularta Books en VAR ) / Mets en Schilt i.s.m. 11.11.11
Isbn 90 5466 789 3
Prijs: ca 706 BEF of 17,5 euro
Verschijnt: 29 september 2001
Contactpersoon: Piet Bulteel (+32 475 63 46 23)
Dit boek kwam tot stand met steun van Vredeseilanden en het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.
De antwoorden van het antiglobalisme wordt in het frans vertaald
Het boek De Antwoorden van het antiglobalisme. Van Seattle tot Porto Alegre van VRT-journalist Dirk Barrez wordt vertaald in het Frans. De Franstalige editie verschijnt in BelgiÔ bij uitgeverij La Longue Vue onder het label Le Roseau Vert. In Frankrijk is de uitgave in handen van uitgeverij Castella. De publicatie is voorzien voor eind januari 2002, net voor het tweede Wereld Sociaal Forum start in het Braziliaanse Porto Alegre.
De uitgevers voeren ook gesprekken en onderhandelingen over een Engelstalige en een Spaanstalige uitgave.
In Vlaanderen en Nederland is het boek binnenkort aan een derde druk toe en in Vlaanderen staat het boek sinds weken in alle boekentoptienen.
De antwoorden van het antiglobalisme geeft in elk geval een forse duw in de rug van de maatschappelijke discussie over globalisering. De media hebben het thema heel hard opgepikt, tal van interviews verschijnen of worden uitgezonden en er gaat bijna geen dag en avond voorbij of de auteur moet wel ergens naartoe voor een lezing, interview, discussie of debat over globalisering, over alternatieven voor de huidige globalisering en over de zogenaamde antiglobaliseringsbeweging.
Enkele uittreksels
Hieronder vindt u enkele uittreksels uit het boek De antwoorden van het antiglobalisme. Van Seattle tot Porto Alegre, de proloog, het hoofdstuk over het mondiaal basisinkomen en het slothoofdstuk waarin wordt gepoogd de agenda en het programma voor een leefbare uit te tekenen.
Proloog
alle grote dingen zijn gebeurd door te dromen (boek p.19)
Een eerste kans om ons oor te luisteren te leggen krijgen we al de namiddag van onze aankomst in Porto Alegre. Er is een grote samenkomst, er is muziek, er zijn toespraken met veel applaus, er is sfeer, kortom, we zijn in Latijns-Amerika.
In de vooravond wordt de samenkomst één grote betoging door de hoofdstraten van het wat mediterraan aandoende centrum van deze havenstad met haar bijna anderhalf miljoen inwoners… De spandoeken kanten zich veelal tegen het neoliberalisme, slogans weerklinken, er zijn veel rode vlaggen, er is zelfs een portret van Lenin. De lokale arbeiderspartij die de stad en de deelstaat bestuurt laat zich vanzelfsprekend opmerken, maar het blijft vooral een vrolijke optocht, een ideale gelegenheid voor een eerste kennismaking met wat hier leeft.
De eerste die we aanspreken blijkt de secretaris van het stadsonderwijs te zijn. Hij is ook lid van een organisatie voor volksopvoeding: 'Ik hoop dat de wereld ziet hoe de mensen moeten leven in de Derde Wereld, hoe ze in de sloppenwijken van deze stad in onleefbare woningen van karton, papier en plastiek moeten huizen, dat is eigenlijk onmenselijk. Het is symbolisch voor al die mensen die hun bestaan in gelijkaardige omstandigheden moeten doorbrengen, in Afrika of Azië. Maar die toestand is niet natuurlijk, hij is te wijten aan de internationale economische politiek die wordt gevoerd.'
Bijna vanzelfsprekend loopt ook de Franse coryfee van de antiglobalisering, José Bové, mee in de stoet: 'Met wie het economisch voor het zeggen heeft is geen verandering mogelijk. Met hen kunnen we geen nieuwe internationale en vooral geen economische verhoudingen realiseren. Want die zijn die mensen op het lijf geschreven. Maar we zijn hier met delegaties van sociale bewegingen en vakbonden uit wel honderdtwintig landen. Dat is formidabel en dit succes geeft ons een grote legitimiteit. We hebben de kans om de internationale strijd beter te organiseren, zodat we overal ter wereld het neoliberalisme kunnen bestrijden.'
'Wij willen dat de grond is voor wie hem bewerkt, wij willen krediet kunnen krijgen, wij willen middelen om de grond te bewerken,' zegt een stem van een Afrikaans plattelandsnetwerk.
Hij krijgt steun van een Franse landbouwer: 'Voor de landbouwers is een landhervorming allerbelangrijkst, zodat er land is voor iedereen die land wil bewerken.'
Iemand van MST, de Braziliaanse beweging van landlozen, valt hem bij: 'Wij willen zeggenschap over de voedselproductie - noem dat gerust voedselsoevereiniteit -, wij willen een grondige landhervorming en van genetisch gewijzigde gewassen willen we niets weten.'
En een landbouwer uit Tsjaad: 'Onze huidige landbouw vernietigt het milieu zonder wederopbouw. We moeten bouwen aan een leefbare en een ecologische landbouw.'
Een volledig in het oranje geklede Indiër - van een spirituele organisatie met nogal wat sociale activiteiten - valt hen bij: 'Ik hoop dat we uit deze samenkomst de kracht halen om de wereld die we willen sneller te realiseren. We moeten vechten tegen de individualisering die de media ons opdringen en solidariteit creëren tussen mensen en landen.'
'We zijn allemaal hier om samen tegen onrecht te vechten,' zegt een Europese militante, 'en als we dat doen vanuit de basis denk ik dat we een veel strijdbaarder beweging gaan krijgen.'
Een ietwat opdringerige Amerikaanse wil haar overtuiging ook kwijtraken: 'Ik kom uit Seattle en was betrokken bij de betogingen tegen de Wereldhandelsorganisatie. Ik hou er niet van dat de mensen het bloed wordt uitgezogen door het kapitalisme, ik wil die nieuwe wereld zien. Daarvoor moeten we de economie decentraliseren zodat de opbrengst en het werk gaan naar degenen die nu sterven.'
Midden in de luidruchtige betoging loopt ietwat afgezonderd de bisschop van de Braziliaanse deelstaat Goiás: 'Dat we hier met zovelen zijn om die almachtige eenheidsmarkt te bestrijden is al een resultaat. Samen zoeken we naar alternatieven in de lijn van de geschiedenis die meer menselijk wordt, met vooral meer respect voor de natuur en met heel andere verhoudingen tussen de naties, bijvoorbeeld heel andere handelsrelaties waarin de armsten een plaats hebben.'
Maar hoe daar geraken? De Afrikaanse stem vervolgt: 'Het succes zal liggen in menselijke solidariteit, in wereldwijde solidariteit zodat we tegenover de huidige globalisering onze eigen opvattingen hebben, ons eigen project.'
Op de voor de hand liggende bemerking dat zoiets toch nog een verre droom is, komt meteen het antwoord: 'Alle grote dingen zijn gebeurd door te dromen, we gaan er ons aan zetten.'
Een mondiaal basisinkomen
Voor iedereen een kwart euro per dag (om te beginnen) (boek p.149)
De inkomenskloof tussen rijk en arm slaat met verstomming. De twintig procent rijksten 'verdienen' zowat vijfenzeventig keer zoveel als de twintig procent armsten. Deze kloof is immens, ze is vrij jong en, wat nog meer verbaast, ze vergroot nog steeds. Toch bedraagt het wereldinkomen gemiddeld zowat vijfduizend euro per jaar voor elke mens. Indien dat wereldinkomen rede-lijk evenwichtig verdeeld zou zijn, zou iedereen genoeg hebben om van te leven. Maar iedereen weet dat het nu niet zo is. Hoe kan het dan wel?
Arbeid die in behoorlijke omstandigheden fatsoenlijk wordt vergoed, blijft hét middel bij uitstek om de kost te verdienen. Goed verspreid grondbezit, samen met een duurzaam beheer van velden, weiden, bossen en wateren, kan in vele landen tallozen aan de nodige productiemiddelen, werk en inkomen helpen. Een verstandige indus-trialisering die gebruik maakt van een milieuvriendelijke techno-logie kan wonderen doen op het vlak van de werkgelegenheid en de inko-mensgroei. Echte vrije handel, waarbij alle partijen hun voordeel doen, draagt daar bovenop nog bij tot de ver-spreide rijkdom.
Maar niemand moet zich voor de nabije toekomst te sterke begoochelingen maken.
Zelfs in het beste geval heeft niet iedereen die daar moet van leven, voldoende productiemiddelen om in het eigen onderhoud te voorzien. Integendeel, de kwaliteit van visgronden, bossen en landbouwland is in stijgende mate aangetast. Ze zijn ingepikt of zelfs vernietigd.
Zelfs in het beste geval is er niet voor iedereen voldoende arbeid en zeker geen arbeid die voldoende wordt betaald.
Zelfs in het beste geval worden vele menselijke prestaties die bijdragen tot welvaart en welzijn niet vergoed.
Zelfs in het beste geval zullen er mensen uit de boot blijven vallen, blijft er een erg ongelijke inkomensverdeling en, vooral, hebben velen gewoon te weinig koopkracht om menswaardig te leven.
Daar komt dan het basisinkomen voor de dag, een inkomen dat elke mens krijgt, van de geboorte tot de dood, onvoorwaardelijk.
Af en toe duiken voorstellen voor een basisinkomen op in sommige welvarende landen en kan je horen argumenteren dat het betaalbaar is. Wil dat zeggen dat het basisinkomen alleen weggelegd is voor rijke samenlevingen? Op het eerste gezicht is dat zo, maar als we de wereld globaal bekijken en daarbij onze verbeelding én ons verstand gebruiken, kunnen we tot een realistisch voorstel komen: voor iedereen alvast een mondiaal basisinkomen van een kwart euro per dag.
Wat moet dat kosten? We zijn met zes miljard mensen, dat is dus 547,5 miljard euro per jaar. Is dat veel? Niet echt, het wereld-inkomen is ruim vijftig maal groter. Met een belasting op het wereld-product van amper twee procent kan elke wereldburger dat basisinkomen krijgen.
Voor de rijken in vooral Europa, Noord-Amerika en Japan is een kwart euro per dag natuurlijk een peulschil. Toch moeten ze het krijgen. Het herinnert hen eraan dat velen met wel heel weinig moeten rondkomen.
Voor enkele miljarden mensen betekent die kwart euro per dag een wereld van verschil. In de armste landen zouden velen hun inkomen op die manier liefst zien verdubbelen. Zelfs in landen met een hoger gemiddeld inkomen zoals India, China en andere landen, zouden vele honderden miljoenen burgers hun koopkracht aanzienlijk verhogen. Ook voor hen is zo'n basisinkomen echt niet te versmaden.
Mogelijk merkt iemand op dat een kwart euro te weinig is om uit de armoede weg te raken. Dat vergt wat toelichting.
Ten eerste moet zo'n basisinkomen opgeteld worden bij het (vaak karige) inkomen dat de mensen nu al hebben. Het basisinkomen is geen vervanging voor degelijk en fatsoenlijk betaald werk, maar staat daar naast.
Ten tweede zal de verhoogde koopkracht een enorme stimulans mee-brengen voor de lokale economieën, wat voor meer werk en dus extra inkomen zal zorgen. Meer nog, dit mondiale basisinkomen schept het vermogen om de armoede duurzaam te bestrijden: een evenwichtiger gespreide koopkracht zal meebrengen dat de immense behoeften aan drinkbaar water, voedsel, huizen en onderwijs eindelijk bevredigd kunnen raken. Het basisinkomen is een hefboom voor een krachtige sociale economie.
Ten derde is er eigen-lijk niets op tegen om zo nodig niet twee, maar vier of zelfs meer procent van het we-reldinko-men te herverdelen.
Ten vierde moeten lokale overheden natuurlijk werk blijven maken van gezondheidsvoorziening, onderwijs, landverdeling, watervoorzie-ning, wegen, openbaar vervoer enz.
Ten vijfde is er internationale samenwerking nodig om bijvoorbeeld het broeikas-effect te bestrijden, om snel een duurzame economie uit te bouwen, om kinderarbeid te beteugelen en sociale regels te doen respecteren, om oorlog en geweld te keren en een veiliger wereld te maken, om speculatieve en ontwrichtende financiële stromen te controleren én om voor ieder-een het basisin-komen te garanderen.
Het is in dit ruimere kader dat het wereldbasisinkomen moet worden gezien en dat het de kiem kan zijn voor een ontwikke-lingsmo-del dat én duurzaam is én de armoede echt de wereld uit helpt. Meer nog, die kwart euro per dag is een ambitie die even mobiliserend en wervend kan werken als eisen uit het verleden, zoals de achturen-dag, het alge-meen stemrecht voor man én vrouw of de af-schaffing van de slavernij.
De enige voorwaarde is dat zo'n inkomen ook werkelijk gegarandeerd moet zijn. Dit lijkt me een prima opdracht voor de Verenigde Naties. Dat is geen gemakkelijke opdracht, maar ze is zeker eenvoudiger dan de wereld te willen ontwikkelen met aller-lei programma's die ondoeltreffend gebleven zijn. De VN zouden daarmee een echt instrument van inkomensherverdeling worden op onze wereld. Meteen bewaken zij ook het eerste mensenrecht van iedereen, namelijk het recht op bestaan. De inkomsten kunnen zij halen uit een mondiale belasting op internationale financiële verrichtingen, op het verbruik van fossiele brandstoffen en op andere activiteiten die meer dan eens de leefbaarheid van onze wereld ondermijnen en bijna uitsluitend rijke mensen treffen. Die fiscale bevoegdheid zou meteen ook aanzienlijk bijdragen tot de geloofwaardigheid van een echt mondiaal VN-bestuur. Vanzelfsprekend kan dit alles maar doorgang vinden als die Verenigde Naties ook een door en door democratische organisatie zijn.
Het mondiaal basisinkomen lijkt misschien een 'te simpele' oplossing. Maar ik ben ervan overtuigd dat het kan werken en, wat belangrijker is, ik zie geen fundamentele hinderpalen. We moeten het simpelweg verwezenlijken.
Zelfs als we het niet meteen wereldwijd kunnen invoeren - wat te verwachten valt natuurlijk, want we kiezen altijd te traag voor de beste oplossingen - kunnen we alvast starten met het mondiaal basisinkomen op een meer beperkte schaal. Zo kunnen bilaterale overeenkomsten overwegen tussen ontwikkelingsministeries en arme plattelandsstreken die het basisinkomen waarborgen voor alle bewoners van die regio. Er is geen beletsel om hier werk van te maken. Dat bezwaar bestaat niet voor de verantwoordelijken voor internationale samenwerking in rijke en arme landen, in de Europese Unie, UNDP, Wereldbank of andere. Meer algemeen is dat bezwaar er evenmin voor al wie politieke verantwoordelijkheid draagt op lokaal, regionaal, nationaal of internationaal niveau.
Programma voor een andere wereld (boek p.254)
Het slothoofdstuk 'Programma voor een andere wereld' uit De antwoorden van het antiglobalisme kan u integraal vinden in het artikel Ontwaken uit de neoliberale winterslaap. Programma voor een leefbare wereld
waar blijft de antiglobalistische agenda?
De antiglobaliseringsbeweging zit nog steeds in de lift. Meer dan vijftigduizend mensen hebben deelgenomen aan het tweede Wereld Sociaal Forum in het Braziliaanse Porto Alegre met als motto 'Een andere wereld is mogelijk'. Vanzelfsprekend is het prachtig dat er zo veel volk was, zo veel enthousiasme, zo veel werkgroepen, zo veel nieuwe contacten tussen mensen en organisaties, zo veel alternatieven op tal van terreinen die hier een wereldforum krijgen, zoveel mediabelangstelling… maar op al dat positieve ga ik niet dieper in.
Enkele andere sterke pluspunten wil ik graag nog beklemtonen.
De analyse dat de huidige economie op een aantal terreinen deerlijk faalt blijkt meer en meer juist. Het Argentijnse drama, waarbij een rijke welvaartstaat zoals de onze in mekaar stort, illustreert dat eens te meer en overtuigt vele antiglobalisten dat zij gelijk hebben en niet het IMF of de Wereldbank. Meer en meer wordt de wereld er zich van bewust dat het huidige eendimensionale economische denken niet het enig mogelijke is, zelfs niet het beste is en voor enkele miljarden mensen zelfs het slechts denkbare model is, namelijk een economie die mensen offert aan een nieuwe afgod, het waanidee dat de markten het altijd in alles beter zouden weten.
Dat is het grote succes van Porto Alegre en van de antiglobalisten, dat het neoliberale model van zijn sokkel aan het vallen is, vele mensen geloven er niet meer in, ze willen verandering.
Een ander sterk punt is de veel grotere aanwezigheid van de vakbonden in Porto Alegre. Want zonder de mobilisatiekracht van de sociale bewegingen kan men wel dromen van een andere wereld maar hem zeker niet realiseren. Vorig jaar waren er al heel wat boerenbewegingen en ook vakbonden. Dit jaar waren die laatste nog veel talrijker, en wat uniek is, voor het eerst in de geschiedenis hebben alle grote internationale vakbonden samen vergaderd en overlegd.
Dat is de grote betekenis van dit Forum, dat niet alleen vakbonden maar ook boerenbewegingen, vrouwenorganisaties, bewegingen van inheemse volkeren en in mindere mate milieubewegingen uit de hele wereld mekaar hier ontmoeten.
Komen we dan snel bij de minpunten van het tweede Wereld Sociaal Forum. Het Forum moet meer zijn dan een ontmoetingsplaats, de antiglobaliseringsbeweging heeft immers nood aan gezamenlijk gedragen objectieven en aan een strategie om ze te bereiken.
Maar wat duidelijk niet zo snel opschiet is het samen leggen van al die alternatieven van al die bewegingen in één brede agenda, in zeg maar een veelzijdig maar coherent programma voor die hele diverse antiglobalistische beweging.
En er ontbreekt daartoe zeker ook de structuur, dat is een probleem waar het Forum – en de ruime antiglobaliseringsbeweging – zwaar mee worstelt. Blijft het bij een nogal vrijblijvende ontmoetingsplaats, met het risico dat het enthousiasme na verloop van tijd uitdooft, of zal het zich uitbouwen tot een tegenwicht, een tegenmacht die kan opboksen tegen de bestaande, vooral economische, machthebbers?
Wat bijna niemand wil is een strakke, centralistische organisatie zoals bijvoorbeeld de oude communistische partijen die kenden, en dat is maar goed ook. Maar indien dit Forum en deze beweging haar alternatieven wil verwezenlijken, zal er toch een minimale organisatie en structuur moeten worden opgebouwd.
Evenzo ontbreekt klaarheid over de strategie, hoe wil en zal deze beweging haar alternatieven realiseren?
Voor mij is zonneklaar dat het Wereld Sociaal Forum maar volop zin krijgt als het meer is dan een bruisende ontmoetingsplaats. Er is meer overleg nodig binnen en vooral tussen de grote sociale bewegingen. Er is meer duidelijkheid gewenst over wat iedereen bindt, over waar de beweging naartoe wil en daarbij is er nood aan heldere spelregels inzake besluitvorming. Vooral stemmen uit boerenbewegingen en vakbonden, met een grote traditie van sociale en politieke strijd, pleiten daarvoor. Ik denk dat ze gelijk hebben. Anders riskeert Porto Alegre een jaarlijks ritueel te worden zonder concrete impact en duurt het geen twee jaar meer of het wordt een antiglobalistisch 'Woodstock' dat verdwijnt in de nevelen van de verbeelding. Nog zo een bedroevend armoedige verklaring als de oproep van de sociale bewegingen van dit jaar (en van vorig jaar) kunnen we echt wel missen want die helpt ons niet vooruit. Wat we nodig hebben is een Porto Alegre dat ons helpt aan de hedendaagse tegenhanger van wat de arbeidersbeweging honderd jaar geleden was, een beweging die voor het eerst ook werkelijk mondiaal is en de krachtige drager van een heel concrete en heel menselijke agenda, voor een leefbare stad en een leefbaar platteland, voor een duurzame economie en een menswaardig inkomen voor iedereen, voor mensenrechten en democratie, voor vrede en veiligheid.
***
Ook de verhouding met de politiek dient uitgeklaard te geraken. De ontgoocheling van vele antiglobalisten in politici is makkelijk te begrijpen. Want wat doe je met hun boodschap dat ze aan de economie niets te zeggen hebben? hoe reageren wanneer je merkt dat die politici de jongste decennia wel héél afwezig zijn en hun eigen onmacht hebben georganiseerd? wanneer ze weigeren de globaliserende economie sociale, ecologische en democratische spelregels op te leggen en dus verzaken aan het organiseren en verdedigen van het mondiale algemene belang?
Maar hoe moeilijk ook, toch heeft deze beweging geen keuze – als ze democratisch en geweldloos wil zijn – dan zo sterk te worden dat zij onze politici de ogen kan openen en hen dwingen tot verandering. Met een stevige agenda én volgehouden gezamenlijke actie kan deze beweging hen van hun blindheid genezen en hen verplichten om de belangen van de mensen, van democratische samenlevingen en van het milieu te laten voorgaan door werk te maken van mondiale democratische instellingen.
En dus is er confrontatie maar ook discussie en uiteindelijk zelfs onderhandeling nodig met de politiek. Vergeet trouwens niet, wanneer sociaal-democraten, ecologisten, flink wat christen-democraten, democratische nationalisten en echte sociaal liberalen in hun eigen gedachtegoed en geschiedenis grasduinen, vinden zij de aanknopingspunten met deze beweging zo voor het oprapen. En wanneer zij dan hun politieke verantwoordelijkheid opnemen, dan abdiceren zij niet langer voor de economie maar kunnen zij de politieke vertaling vormen van deze beweging.
Het is deze wisselwerking tussen een mondiale sociale beweging en politici die zich mondiaal organiseren die voor het noodzakelijke evenwicht kan zorgen met de economie zodat minimale welvaart in het bereik komt van alle mensen, ons samenleven democratisch functioneert en het milieu eindelijk gerespecteerd raakt.
Als ik even mag terugkoppelen naar Porto Alegre, is het dan niet beter dat de politici er eerst participeren aan het eigenlijke Wereld Sociaal Forum – vooral om te luisteren – en gewapend met die ervaring pas daarna beginnen aan hun eigen Wereld Parlementair Forum.
En wat dan van het bedrijfsleven? Zijn zij alleen maar de vijand, gesymboliseerd door de toenemende macht van de multinationals? Of kan een sterke, zelfverzekerde antiglobaliseringsbeweging naast de confrontatie ook de discussie en de onderhandelingen met die bedrijfswereld aan? Zoals de vakbonden dat al langer en niet zonder succes doen, in het besef dat het maar lukt als de andere kant weet dat je ook hard op tafel kan slaan als het moet?
Natuurlijk moeten economisch machtsmisbruik, uitbuiting en monopolievorming zonder pardon worden bestreden. Natuurlijk verdient deze beweging alle krediet bij haar pogingen om naast de politiek ook de economie te democratiseren via medebeheer, zelfbeheer, coöperatieve samenwerking, gezamenlijke eigendom van productiemiddelen en andere democratische economische organisatievormen. Maar zolang privé bedrijven en zelfstandigen voor het gros van de welvaart zorgen moet men vanuit een sterke positie ook de dialoog en zelfs overleg durven aangaan over hoe we kunnen opschieten met een sociaal en ecologisch verantwoorde economie. Want zelfs in dat bedrijfsleven zitten emancipatorische krachten die alle steun van de wereld kunnen gebruiken, daar zit tevens een pak kennis over de best beschikbare technologie en ook daar kunnen we allemaal
ons voordeel mee doen.
En waar zijn we nog niet mee klaar? Deze beweging zelf, zoals ze zich in Porto Alegre vertoont, is te veel nog een beweging van rijken, van een middenklassencultuur uit de rijke landen – zoals Houtart zegt -, van die organisaties en vertegenwoordigers die het geld en de vrijheid hebben om de wereld rond te reizen en, erger nog, die met hun geld ook grotendeels de aanwezigheid uit het Zuiden inkleuren. Want de weinigen uit Afrika en Azië zijn hier inderdaad dikwijls nog op hun uitnodiging en dus door hen geselecteerd. Die gekleurde ondervertegenwoordiging is een probleem dat we best niet onder de mat vegen.
Dat andere probleem dan nog, dat het derde Wereld Sociaal Forum opnieuw in Porto Alegre zal zijn. Jammer, heel jammer, want de greep van de Brazilianen op het Forum is nu echt te groot geworden. Het Forum moet dringend elders zijn tenten opslaan – hopelijk zal het in 2004 echt in India zijn. Gelukkig is er gekozen om alvast met tussentijdse regionale sociale fora te werken in de verschillende continenten, in Europa wellicht in oktober-november. En in België komt er wellicht in september ook een Belgisch Sociaal Forum. Op die wijze kan deze beweging hopelijk stapsgewijs, democratisch en efficiënt haar agenda opstellen en zich vervolgens toeleggen op de vraag hoe ze die zal realiseren.
Dirk Barrez
De auteur schreef o.a. de boeken:
'De antwoorden van het antiglobalisme. Van Seattle tot Porto Alegre'
'Ik wil niet sterven aan de XXste eeuw. Over leven in de 21ste eeuw'. Dat laatste boek is ook een journalistiek en pedagogisch internetproject geworden, surf eens naar www.ikwilniet.org
